De International AIDS Conference moet een politieke lading krijgen

Archief:
GIL 39/40
zomer 2018

Lambert Grijns
Directeur Sociale Ontwikkeling (DSO) Ministerie van Buitenlandse Zaken
Ambassadeur voor Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) & hiv/aids

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken speelde een belangrijke rol bij de toewijzing van de International AIDS Conference aan Amsterdam. Een van de belangrijkste argumenten was, dat Nederland de rol kan vervullen van Poort naar het Oosten, de gebieden in Oost-Europa en Centraal Azië waar de zorg voor mensen met hiv en aids nog in een elementair stadium verkeert. Lambert Grijns heeft in de afgelopen jaren veel van die landen bezocht om de problematiek rondom hiv bespreekbaar te maken. Hij ziet de International AIDS Conference als een belangrijk medium om politici te overtuigen van het belang van een weldoordachte aanpak.

Lambert Grijns

Uiteraard heeft het ministerie de toewijzing aan Amsterdam niet in z’n eentje bewerkstelligd’, zegt Grijns ‘er heeft een intensieve samenwerking plaatsgevonden tussen verschillende partijen: de Nederlandse hiv-community, behandelaren, ngo’s, de private sector en de overheid. De Amsterdam Planning Group onder leiding van Peter van Rooijen heeft die samenwerking goed gecoördineerd, niet alleen tot de toewijzing maar ook daarna. Van de private partijen zijn vooral de hotelgroep, de RAI en farmaceutische bedrijven actief geweest. Vanuit de overheid hebben behalve Buitenlandse Zaken ook het Ministerie van VWS en de Gemeente Amsterdam een belangrijke rol gespeeld. Tot de toewijzing was burgemeester Eberhard van der Laan erg actief; na zijn overlijden is die rol met verve overgenomen door loco-burgemeester Eric van der Burg. En minister Kaag voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft sinds haar aantreden veel belangstelling voor de conferentie getoond. Kortom: het is een kwestie van intensief teamwork geweest en gebleven.’

De activiteiten gaan momenteel vooral uit naar landen die voorheen deel uitmaakten van de Sovjet Unie

Poort naar het Oosten
‘Het Directoraat Sociale Ontwikkeling richt zich niet alleen op Oost-Europa en Centraal Azië, wij zijn bijvoorbeeld ook actief in Indonesië en Kenya. Maar in het kader van hiv/aids gaan de activiteiten momenteel vooral uit naar de landen die voorheen deel uitmaakten van de Sovjet Unie, zowel landen in Europa als in Centraal Azië. Denk daarbij bijvoorbeeld aan Rusland, Oekraïne, Kazachstan, Tadzjikistan. Ook in sommige landen in het Midden-Oosten zien wij een toename van hiv-infecties, maar de incidentie is er relatief laag en deze landen vormen voor ons geen speerpunt. In de landen waarop wij ons richten, met name in Rusland, komt steeds vaker hiv voor via heteroseksuele overdracht. Tot nu toe bleef de epidemie geconcentreerd onder specifieke risicogroepen, zoals drugsgebruikers en sekswerkers. Tegen deze groepen wordt door de lokale overheden streng opgetreden: zij worden niet in zorg gebracht maar gecriminaliseerd en regelmatig in de gevangenis gezet. Wij pleiten voor een benadering bij drugsgebruikers die meer lijkt op het systeem in Nederland en veel andere landen, waarbij drugsgebruikers vanuit gezondheidsperspectief tegemoet worden getreden, de zgn harm reduction.

In Oost-Europa en Centraal Azië is de publieke opinie zodanig dat politici moeilijk stappen kunnen ondernemen richting het Nederlandse model

Denk daarbij aan decriminalisering, spuitomruil, methadonverstrekking en training van behandelteams. Sommige landen in de regio, zoals Kirgizië en Tadjikistan, en op kleinere schaal Kazachstan zijn hiertoe al overgegaan. Maar in veel van die landen is de publieke opinie zodanig dat het voor politici moeilijk is stappen te ondernemen richting dit model. Daarom zijn wij de afgelopen jaren erg druk geweest om politici uit die landen naar de International AIDS Conference te halen. Wij vinden het belangrijk dat niet alleen wetenschappers, behandelaren en de hiv-community daar informatie uitwisselen, maar dat er ook overheden aanwezig zijn.’

Ngo’s kunnen besluitvorming faciliteren
Lambert Grijns is enthousiast over hetgeen DSO de afgelopen jaren voor elkaar heeft weten te brengen. ‘Ik ben optimistisch dat we tijdens de IAC een politieke bijeenkomst kunnen organiseren tussen 15 landen uit Oost-Europa en Centraal Azië. Wij faciliteren het, de WHO nodigt formeel uit en zit voor, gesteund door UNAIDS. De bijeenkomst zal plaatsvinden achter gesloten deuren, zodat de landen thema’s zoals drugs, seksuele voorlichting, en overdracht van hiv tussen mannen die seks hebben met mannen (MSM) bespreekbaar kunnen maken, van gedachten kunnen wisselen over de beschikbaarheid van hiv-remmers en uiteindelijk best practices kunnen delen. Er gebeurt immers al van alles in de landen, de uitdaging is nu om het op te schalen naar nationaal en regionaal niveau. Wij hopen dat daardoor de politieke bereidheid ontstaat om de problematiek te erkennen, beleid te ontwikkelen en daarvoor budget vrij te maken. Daarbij vragen wij extra aandacht voor de positie van jongeren. Voor hen moet de toegang tot zorg stevig worden verbeterd. Wij kunnen daarbij ondersteuning aanbieden, maar vooral ngo’s kunnen goed werk verrichten, denk daarbij aan het Aidsfonds, Dance4Life en Aids Foundation East-West (AFEW) die in Oost-Europa werkt aan spuitomruil en methadon-verstrekking, maar die ook een prominente rol speelt in advocacy.

In Oeganda is al 1 op de 8 kinderen met hiv resistent tegen de gebruikelijke hiv-remmers

AFEW heeft de afgelopen tijd wetenschappers uit die regio’s getraind en voorbereid op een deelname aan de Conference in Amsterdam. Kortom: wat er de laatste tijd ook wordt beweerd over ngo’s, zij spelen een cruciale rol bij het beïnvloeden van lokale overheden.’

Hiv-problematiek telkens anders
Rond 2015, toen de IAC werd toegewezen aan Amsterdam, daalde het aantal nieuwe hiv-infecties. In 2016 stagneerde de daling. Nu daalt het aantal nieuwe infecties in sommige landen, maar in andere landen neemt het toe. Lambert Grijns: ‘Als je bijvoorbeeld kijkt naar Rusland, dan vindt 55% van de nieuwe infecties plaats door heteroseksueel verkeer. Het is niet zo dat de overheid het probleem volkomen negeert: in Rusland is de prijs voor medicijnen omlaag gebracht en de moeder-op-kind-besmetting is sterk gereduceerd. Daar staat tegenover dat op hiv een groot taboe rust, dus de overheid zit als het ware in een spagaat: je wilt wel iets doen, maar je kunt je niet te veel permitteren. Dat zie je in Rusland terug in de manier waarop ze omgaan met de grote migrantenstroom vanuit voormalige Sovjet-landen: deze mensen worden niet behandeld maar terug gestuurd. Zo houd je het hiv-reservoir behoorlijk in stand. Een soortgelijke spagaat komt voor in Indonesië: enerzijds wordt het land steeds strenger islamitisch en komt hiv steeds verder in de taboesfeer, anderzijds experimenteren jongeren in Jakarta er lustig op los met seks, drugs en rock&roll. Veilig vrijen is er niet bij, omdat de strenge islam het gebruik van voorbehoedsmiddelen door ongehuwden verbiedt. Maar er bestaan ook landen waar het de goede kant op gaat. In sub-Sahara Afrika is de toegang tot medicijnen sterk verbeterd en in Zuid-Afrika heeft een grote omslag in het denken over hiv plaatsgevonden. Wel staan we in Afrika voor het toenemende probleem van resistentie. In Oeganda is al 1 op de 8 kinderen met hiv resistent tegen de gebruikelijke hiv-remmers. Maar bemoedigend is de situatie in China: de toegang tot zorg gaat vooruit en op lokaal niveau zit beweging in de discussie over homorechten en drugsgebruik. Maar laten we ook naar onszelf kijken. Het buitenland is niet alleen ver weg, het is ook aanwezig in Nederland. Wij zouden meer aandacht moeten hebben voor onze migranten. Behoorlijk wat hiv-infecties in Nederland vinden plaats onder migranten. De oorzaak is veelal: kennisgebrek of onvoldoende toegang tot zorg. Wat dat betreft valt er wereldwijd, dus ook hier, nog veel te verbeteren.’

Aids is niet voorbij
Als het aan Lambert Grijns ligt, is de IAC geslaagd als de bereidheid van politici toeneemt om de hiv-problematiek in hun landen fundamenteel aan te pakken. Bijvoorbeeld politici uit de 15 aanwezige landen uit Oost-Europa en Centraal Azië, maar ook uit andere brandhaarden, met name in Afrika, en uit de donorlanden in Europa en Noord-Amerika. Grijns: ‘Wij zorgen met onze partners voor informatie over harm reduction programma’s, in de vorm van wetenschappelijke presentaties, aanwezigheid in het Global Village gedeelte met informatie en optredens en via mediapresentaties. Daarbij wordt aandacht gevraagd voor de positie van drugsgebruikers, MSM, gevangenen, migranten en sekswerkers.

In wezen is in Afrika hiv een kwestie van gender-ongelijkheid

En natuurlijk voor vrouwenrechten want met name in Oostelijk- en Zuidelijk Afrika is de positie van vrouwen sterk verweven met hiv. In wezen is hiv in die gebieden een kwestie van gender-ongelijkheid. Onze voorlichting en pleidooien zijn voornamelijk gebaseerd op de Nederlandse benadering van hiv, namelijk: beleid dicht op de doelgroepen. Mensen met hiv staan in ons beleid centraal. Ons beleid is pragmatisch (denk aan het drugsbeleid en onze tolerantie t.a.v. sekswerk), maar ook principieel: wij houden vast aan mensenrechten. Bovendien is ons beleid gebaseerd op wetenschappelijke evidentie; dankzij de Hiv Monitor weten wij in Nederland precies wat er aan de hand is. Ik verheug me op de Conference en niet in de laatste plaats op de film van Bert Oele en Erwin Kokkelkoren die dan in première gaat onder de veelzeggende titel I will speak, I will speak, het Nederlandse adagium ‘dicht op de doelgroepen’ ten voeten uit. Ik hoop dat de vertegenwoordigers uit de 15 landen in Oost-Europa en Centraal Azië uit Amsterdam vertrekken met het inzicht dat aids niet voorbij is, dat de overheden serieus aan de slag moeten en dat zij zich afvragen: wat willen wij als overheid doen in ons land?’